Rectificatie van publicaties door de rechter

Rectificatie van publicaties door de rechter

Rectificatie van publicaties door de rechter

Met de opkomst van de digitale wereld zijn er allerlei websites en fora in het leven geroepen waar iedereen zijn of haar mening kan uiten. Dat heeft voordelen, maar dat je daar als ondernemer ook behoorlijk last van kunt hebben bleek onlangs voor een cliënt van mij.

Zijn klant was niet tevreden met de afhandeling van een klacht waarop deze zijn toevlucht zocht tot het luidkeels kenbaar maken van zijn – negatieve- mening over de ondernemer op twee websites waar de doelgroep van mijn cliënt regelmatig zijn licht op steekt. Gevolg: omzetverlies en een slechte naam, een nachtmerrieachtig scenario. Mag dit dan zomaar?

Ja en nee. Er bestaat een recht op vrijheid van meningsuiting, dat geldt ook voor social media, maar... er zit wel een grens aan dat recht die gevormd wordt door de inbreuk op een recht van een ander. Wanneer daarvan sprake is en waar die grens precies ligt in een concreet geval en of er sprake is van een onrechtmatige daad of zelfs van smaad of laster zal uiteindelijk door een rechter worden bepaald. Hierover zijn al verschillende rechterlijke uitspraken gedaan, waaruit langzamerhand wat regels kunnen worden gedestilleerd. Is er iets te doen aan artikelen die worden gepubliceerd op het internet, intijdschriften en kranten?

Ja, men dient dan een vordering tot rectificatie in te dienen bij de rechter. Dit komt regelmatig voor. Soms wordt die eis door de rechter toegewezen en soms afgewezen. Waar kijkt de rechter naar bij de beoordeling van een eis tot rectificatie? En wanneer is een publicatie dan onrechtmatig?

Artikel 7 lid 1 van de Grondwet luidt: “Niemand heeft voorafgaand verlof nodig om door de drukpers gedachten of gevoelens te openbaren, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.”

De “drukpers” moet inmiddels uiteraard veel ruimer worden opgevat, ook internet valt daaronder.

Het Burgerlijk Wetboek geeft in artikel 6:167 aan de rechter een civielrechtelijk wettelijk kader waarbinnen hij te werk dient te gaan als hij de rechtmatigheid van een publicatie dient te beoordelen:

Lid 1 luidt: “Wanneer iemand … jegens een ander aansprakelijk is ter zake van een onjuiste of door onvolledigheid misleidende publicatie van gegevens van feitelijke aard, kan de rechter hem …. veroordelen tot openbaarmaking van een rectificatie op een door de rechter aan te geven wijze”.

De door een publicatie benadeelde partij kan op basis van een onrechtmatige daad een schadevergoeding claimen, rectificatie vorderen en/of een verbod op herhaling eisen. Deze sancties zijn uiteraard alleen mogelijk als de rechter daadwerkelijk oordeelt dat de uiting in kwestie onrechtmatig is. Als de uiting voldoet aan een wettelijke delictsomschrijving, kan naast civiele onrechtmatigheid overigens ook (of in plaats daarvan) sprake zijn van een strafbaar feit, bijvoorbeeld smaad of laster.

Het begrip publicatie wordt (zeer) ruim opgevat, zodat artikel 6:167 BW op iedere openbaarmaking van toepassing kan zijn, dus ook voor zover deze niet in de pers is gedaan.

Een hoofdvraag die steeds beantwoord dient te worden is of er sprake is van een onjuiste of door onvolledigheid misleidende publicatie. De vraag of een publicatie onrechtmatig is ligt in het spanningsveld tussen enerzijds het recht op uitingsvrijheid (artikel 10 EVRM) en het recht op bescherming van de eer en goede naam, de persoonlijke levenssfeer en het recht om gevrijwaard te worden van discriminatie anderzijds.

De rechter dient in een rectificatieprocedure (vrijwel altijd een kort geding) steeds twee maatschappelijke belangen af te wegen: het belang dat individuele burgers niet door publicatie in de pers worden blootgesteld aan lichtvaardige verdachtmakingen, aan de andere kant het belang dat niet door gebrek aan bekendheid bij het grote publiek, bepaalde misstanden die de samenleving raken kunnen blijven voortbestaan. Welke van deze belangen uiteindelijk de doorslag zal dienen te geven, hangt steeds af van de in onderling verband te beschouwen omstandigheden van het geval en de overige context.

De volgende omstandigheden zijn door de Hoge Raad (onder meer) relevant geacht voor het oordeel over de (on)rechtmatigheid van een publicatie:

  • de aard van de gepubliceerde verdenkingen en de ernst van de te verwachten gevolgen door voor degene op wie die verdenkingen betrekking hebben
  • de ernst van de misstand welke de publicatie aan de kaak beoogt te stellen? de mate waarin de verdenkingen ten tijde van de publicatie steun vonden in het toen beschikbare
  • feitenmateriaal
  • de inkleding van de verdenkingen
  • de mate van waarschijnlijkheid dat, ook zonder de verweten publicatie via de pers, het in het algemeen belang nagestreefde doel door langs andere, voor de wederpartij minder schadelijke wegen met een redelijke kans op spoedig succes had kunnen worden bereikt
  • de kans dat de betreffende informatie ook zonder de verweten terbeschikkingstelling aan de pers in de publiciteit zou zijn gekomen.

Eén van de belangrijkste omstandigheden in de belangenafweging is de mate waarin deverdenkingen steun vonden in het feitenmateriaal dat ten tijde van publicatie beschikbaar was. De rechter bekijkt hoe de situatie was op het moment dat de betreffende publicatie werd gedaan.

Naast dat het dus niet altijd klip en klaar is wat de rechter zal besluiten moet ook bedacht worden dat het kostbaar kan zijn om een vordering in te stellen. Voor een kort geding procedure is een gemachtigde nodig (advocaat), er moet griffierecht worden betaald en de deurwaarder moet een dagvaarding uitbrengen aan gedaagde.